06 augustus 2020

Vijf maanden coronaberichtgeving door de NOS

Halverwege mei vroeg de hoofdredactie van NOS Nieuws om een onafhankelijke terugblik op de coronaberichtgeving. Centrale vraag: heeft NOS Nieuws in de eerste hectische maanden voldaan aan de journalistieke taak? Zijn de nieuwsontwikkelingen voor een breed publiek en op de diverse platforms tijdig, onpartijdig, accuraat en inzichtelijk, proportioneel en pluriform verslagen en geduid? Na uitgebreid onderzoek is het korte antwoord ja, zoom je in dan zijn er ook kanttekeningen en aansporingen.



Van alle onderzochte aspecten is een oordeel over de proportionaliteit door de vertekening van de achteruitkijkspiegel misschien wel het lastigst want dat is het meest ‘mening-gevoelig’. Waar hoofdredacteuren eind januari in een krantenartikel nog behoorlijk van mening verschilden of een liveblog op zijn plaats of juist alarmistisch was, is daar vier weken later al geen onenigheid meer over en lijkt die vraag nu zelfs wat naïef.

Ik wilde me in het onderzoek niet verliezen in dit soort ‘met de kennis van nu’-oordelen. Onderzoeken van de ombudsman vinden achteraf plaats, en achteraf is het altijd mooi wonen. De opdracht was zo goed mogelijk terug te keren naar cruciale momenten in de ontwikkelingen, om met minimaal verkleurde bril te analyseren hoe het journalistieke werk toen is gedaan.

Dat soms ‘met 50% van de kennis 100% van de besluiten’ genomen moest worden, gold ook voor de journalistiek. Terwijl je meer kennis vergaart, ga je anders kijken naar wat je eerder wel en niet wist en deed. Wat altijd blijft is de journalistieke plicht tot nadenken en afwegen. Ik onderzocht of dat met betrekking tot dit onderwerp en onder deze, soms bizarre omstandigheden voldoende is gebeurd.

Opzet onderzoek
Onderzocht is de periode vanaf de eerste meldingen van het virus (december 2019) tot 1 juni 2020, het moment waarop praktisch (zowel qua ziekteverloop in Nederland en afgekondigde maatregelen als organisatorisch bij NOS Nieuws) en gevoelsmatig (het gevoel van urgentie bij het publiek) een volgende fase inging. 

Beluisterd, bekeken en gelezen is berichtgeving van NOS Nieuws en deels NTR (omdat Nieuwsuur en Nieuws en Co samen met deze omroep gemaakt worden): op de platforms radio (extra uitzendingen, Radio1Journaal (R1JN), Nieuws en Co, Met het Oog op Morgen (MHOOM) en specials daarvan), podcast (corona-afleveringen van De Dag), televisie (extra uitzendingen, NOS Jeugdjournaal (JJ), NOS journaalbulletins, Nieuwsuur en specials Feiten&Fabels), online (liveblog, website, NOSop3 explainers). Volledig kon ik daarin niet zijn. Waar ik moest selecteren, heb ik cruciale uitzendingen en door de periode heen op verschillende dagen (‘gewone’ en ‘bijzondere’ ofwel dagen van persconferenties of Kamerdebatten) radio- en tv-uitzendingen, artikelen en liveblogs doorgenomen. 

Verder inventariseerde ik de bronnenkeuze (wie kwam waar aan bod), sprak ik met meer dan vijfentwintig journalisten, las verslagen van vergaderingen en mails, kamerbrieven en transcripties van debatten en persconferenties, en checkte informatie bij bronnen.

Het onderzoeksrapport beschrijft een aantal cruciale momenten tijdens de virusuitbraak voor de samenleving en de nieuwsredactie. Daarnaast worden enkele onderwerpen nog nader geanalyseerd. Bijvoorbeeld omdat ze een bijzondere rol hadden (de cijfers: wat, wanneer en hoe te melden), omdat ze in de samenleving of op de redactie tot nadenken leidden (berichtgeving over verpleeghuizen) of omdat de redactie er zelf nog vragen over had (kritische opstelling, diversiteit).

De context van het ‘niet normaal’
Normaal gesproken streeft de journalist ernaar geen onderdeel te worden van het eigen nieuws, laat staan de eigen bron te zijn. En lukt dat niet voldoende, dan bouwt hij of zij extra checks en transparantie in. Ook normaal: de journalist gaat bij een nieuw fenomeen op zoek naar feiten, uitleg, onderbouwing en bewijs. Met behulp van data, documenten en mensen die je kunt toetsen of aanspreken op betrouwbaarheid, die relevant zijn en deskundigheid hebben. Verder ook normaal: als de journalist naar huis gaat, blijft het werk op de werkvloer (al staat een journalist nooit helemaal ‘uit’). En het publiek mag dan al lang geen zwijgende toeschouwer meer zijn, normaliter is niet íeder lid van je publiek zelf ervaringsdeskundige.

Maar het was niet normaal. Nooit eerder was er maandenlang één enkel nieuwsfeit dat zich langs even unieke als onduidelijke lijnen en met grote snelheid ontwikkelde. Daarbij alles beïnvloedend, ook het journalistieke proces, het thuisfront en het nieuwspubliek. “Ik heb nog nooit meegemaakt,” zegt een redacteur met lange staat van dienst, “dat alles om me heen – inclusief ál mijn bronnen – eigenlijk onbetrouwbaar was geworden. Want niemand wist het.”



Conclusies

Tijdig
NOS Nieuws heeft vanaf de signalering dat het om een serieus gezondheidsprobleem ging, over COVID-19 bericht: niet als eerste, maar wel snel. In eerste aanleg met de focus op medische en wetenschappelijke aspecten; als de crisis zich ontwikkelt en ook het maatschappelijk en economisch domein beïnvloedt, wordt de scope van de berichtgeving breder. Bronnenonderzoek laat die verschuiving (die op alle platforms plaatsvond) en verbreding zien. Er zit geen of nauwelijks vertraging tussen de meeste gebeurtenissen en de berichtgeving erover, veel cruciale ontwikkelingen worden live verslagen.

Enkele keren loopt de berichtgeving voor op wat instanties of overheid (bereid zijn te) melden (veranderingen in cijfermethodiek, testbeleid, GGD-capaciteit, rol van het RIVM, beschermingsmiddelen voor de verpleegzorg).

Wel vertonen berichten over/uit de cultuursector (op een enkel programma na) en de verpleegzorg een tekortkoming. Daarvoor is niet een enkele of louter journalistieke oorzaak aan te wijzen, daaraan ligt een combinatie van factoren ten grondslag. Maar alertheid of je berichtgeving alle hoeken van de samenleving beslaat is vereist.

Kritisch
Zijn de juiste journalistieke vragen op het juiste moment gesteld? Meer kritische bevraging en toetsing van cijfers, claims, maatregelen of besluiten komt met wisselende snelheid en intensiteit. De cijfers waren maar deels te toetsen, maar wat kon gebeurde vanaf begin maart. Tussen dan en begin april ontwikkelden de graphics en de formuleringen zich, zodat ze steeds meer context gaven. De grote vraag bleef: over welke cijfers hadden we het eigenlijk, wat zeiden ze? Dat voorbehoud kwam pas gaandeweg iets meer aan bod. En de waarschuwing is nu: blijf expliciet aangeven wat de cijfers wel en zeker ook níet zeggen, want op dit moment komen er weer te regelmatig ‘kale’ besmettingscijfers zonder context langs.

Claims en besluitvorming werden de ene keer wel bevraagd (bijvoorbeeld: klopt het dat de GGD de testcapaciteit op orde heeft?), een andere keer niet (de verpleegzorg) of pas laat (bijvoorbeeld: waar baseert u de sluiting van scholen of de claim voor het benodigd aantal IC-bedden op?). Een andere keer leek kritische benadering van beleid vooral voor reuring te zorgen (waarom geen versoepeling als we ons goed houden aan de regels?). Dat laatste is minder interessant; dat redacteuren constateren dat ze toch wel (te) veel de bal volgden of zelf ook tijd nodig hadden om weer ‘aan’ te gaan in de journalistieke stand, is belangrijker, eerlijk en terecht. Versterking van specialismen en meer ‘dwarsdenken’ kan hierbij mogelijk helpen.

Journalistiek checken werd soms bemoeilijkt doordat zelfs op zich kritische bronnen zich leken in te houden, of omdat informatie simpelweg niet voorhanden was. Je kunt dan niet anders doen dan dat dilemma zelf laten zien en dat is gaandeweg meer gedaan. Dat voelt voor een journalist misschien ongemakkelijk, zeggen dat niemand het weet, maar dat moet dan maar.

Pluriform
Bronnenonderzoek laat zien dat stemmen, invalshoeken en verhalen als het ware meebewegen met de crisis: van medisch en academisch naar maatschappelijk (sport, onderwijs) en economisch. Verscheidenheid in verhalen neemt met de tijd toe, zeker als eenmaal expliciet is benoemd dat een uitzending meer moet zijn dan een medisch bulletin.

Het streven naar diversiteit onder de bronnen staat in eerste instantie niet hoog op de prioriteitenlijst. Snelheid van informatie vergaren, checken en verspreiden staat bij de meeste programma’s en platforms uit de aard van eerstelijns nieuwsvoorziening voorop. In dit specifieke geval speelt nog mee dat de relevante, primaire nieuwsmakers (medici, academici, politici, bestuurlijke overheid) zelf nog weinig divers zijn, en dat kan de redactie niet eigenhandig veranderen.

Andere betrokkenen (publiek, ervaringsdeskundigen, scholieren, ouders, ondernemers) hebben alle achtergronden. Als na enkele weken de ruimte voor verscheidenheid in verhalen bewust weer wordt opgezocht, wordt de diversiteit van Nederland weer meer hoor- en zichtbaar. Overigens: dat streven naar pluriformiteit tot bijzondere inhoud kan leiden liet Met het Oog op Morgen zien in een serie van elf bijzondere items over hoe corona verschillende leeftijdsgroepen beïnvloedt. Misschien deze serie nog eens bundelen?

Onpartijdig  
Onpartijdigheid wordt vaak vooral vertaald naar vertegenwoordiging van de diverse politieke overtuigingen. Maar je moet minstens zozeer zorgen dat de verschillende relevante wetenschappelijke en maatschappelijke geluiden aan bod komen.

Voor wat je ‘eerstelijns berichtgeving’ kan noemen (liveblog, Radio1Journaal, tv-bulletins) was het volgen van de bal, het verzamelen, checken en verwerken van de veelheid aan informatie primair de opgave. Aanvankelijk fluiten zelfs voorzichtige criticasters zichzelf terug. Vanaf eind maart komen dan, om te beginnen online, kritischer interviews over prognoses en scenario’s van het RIVM. Alternatieve claims over het nut van bepaalde medicijnen worden uitgezocht en toegelicht, vooral online en in R1JN. Nieuwsuur rapporteert in april en mei een aantal maal kritisch over testbeleid en de rol van het RIVM, de GGD wordt door de speciale ‘coronadesk’ op de nieuwsredactie onder de loep genomen.

Meer discussie over genomen besluiten of de (medische) onderbouwing van maatregelen komt vooral ná de hier onderzochte periode naar buiten. Was die discussie er eerder niet of kreeg ze geen ruimte in de berichten? Over enkele aspecten is soms bericht (de Brabantse huisarts die experimenteerde met medicijnen) maar soms ook laat (Maurice de Hond en de aëerosolen). Tegengeluid van iets meer omvang komt als dat zich manifesteert wel aan bod, maar ook dat vooral in de periode na 1 juni (voorlopers van Viruswaanzin).

Politieke onpartijdigheid speelt als de besluitvorming ook weer meer politiek geladen wordt. Kamerdebatten worden live uitgezonden, samenvattingen in journaals en op de radio bestaan vooral uit vragen (en later eisen) van de oppositie en antwoorden van betrokken ministers. Voors en tegens en diverse kanten van het politieke spectrum komen aan bod. Maar feit is dat het kabinet veel aandacht krijgt. Dat is logisch en terecht want het kabinet neemt de besluiten, en het melden daarvan – wat in grote hoeveelheden moest gebeuren – heeft met partijdigheid niks te maken.

De meneer die bij de ombudsman klaagde dat de VVD-er Rutte wel erg veel op tv was (“Die partijspot mag wel af”) wilde er niet aan dat niet de omroep maar het kabinet ervoor koos om, gezien de omvang van de crisis en de impact van de maatregelen, de communicatie vooral te laten doen door de hoogste politieke gezagsdrager: de premier. Van wie het partijlidmaatschap in dit geval toch op zijn meest maar bijzaak was.

Accuraat en inzichtelijk
Er zullen in de onderzochte periode door wetenschappers beweringen gedaan zijn die niet (zullen blijken te) kloppen. Politici hebben besluiten genomen die niet, of niet op die manier nodig waren, en ze hebben vast besluiten níet genomen die wel hadden gemoeten. Journalisten zullen over dit alles berichten gemaakt hebben waarin fouten zaten.

Wat op basis van voortschrijdend inzicht fouten of onvolledigheden in berichten bleken, moest gecorrigeerd worden: in aangepaste versies of berichten in de herstelrubriek. Viermaal kwam een coronabericht in de herstelrubriek terecht. Dat is weinig gezien de enorme hoeveelheid berichten, maar het moet gezegd dat deze rubriek niet heel systematisch gebruikt lijkt te worden. Vaker gebeurde het dat, als redacteuren stuitten op nieuwe informatie die eerdere berichten onjuist of juist vollediger maakten (bijvoorbeeld m.b.t. inzet van medicijnen als hydroxychloroquine of remdesivir), ze een update of nieuw artikel schreven met verwijzing en uitleg. 

Spel-, taal- en andersoortige ‘gewone’ fouten waren er uiteraard ook; als die uit slordigheid of onkunde voortkwamen past zoals gebruikelijk vermaning (en schaamte).

De liveblogs droegen (en dragen nog steeds) zeer bij aan het zorgen voor overzicht over de totale berichtgeving. Zo ook bundeling van berichten in online-collecties, hoewel die collecties niet altijd even goed herkenbaar of gemakkelijk terug te vinden zijn. Inzicht in de cijfers werd (online en op tv) sterk vergroot toen er grafieken bij gepresenteerd werden.

Proportioneel
Achteraf is het eenvoudiger oordelen of berichtgeving de maat had die het moest hebben dan wanneer een nieuwsgebeurtenis zich ontrolt. Is de crisis aanvankelijk onderschat of – zoals sommigen in de samenleving zeggen – later overschat? Wat het eerste betreft: al eind januari/begin februari vroegen correspondent en contacten in China zich af of de westerse wereld überhaupt zat op te letten. Het loont om bij informatie over of vanuit China meer de merites en minder vaak de mening over het land mee te laten wegen. Maar van leidende virologen tot de minister stelde men tot na de eerste besmettingen hier dat Nederland goed was voorbereid. Het is niet gek dat je je als nieuwsorganisatie daarop baseert, het wel probeert te onderzoeken maar bij ontbreken van steekhoudende tegenberichten niet op eigen houtje de alarmbel gaat luiden.

Is er vervolgens na de piek van maart en begin april te veel tijd en inspanning gegeven aan het onderwerp? NOS Publieksonderzoek van eind april liet zien dat op dat moment zo’n veertig procent van de ondervraagden vond dat er in vergelijking met ander nieuws te veel corona in de berichtgeving zat. Bij navraag bleek vooral behoefte aan wat nuancering en relativering. Relativering is in de journalistiek nooit een opdracht. Maar nuance in de berichtgeving wel.

Terugkijkend was er geen alarmisme, maar zeker tussen half maart en eind april – de periode van grootste spanning of de ziekenhuiszorg het aantal patiënten zou aankunnen – wel hoge urgentie in de toon. Bronnen konden daaraan bijdragen, door in uitzendingen het podium te nemen voor hun oproepen en boodschappen (bijvoorbeeld Diederik Gommers die als waarschuwing in Nieuwsuur  vertelde over paniek onder Italiaanse IC-collega’s). En ze kregen niet altijd de kritische vragen naar de onderbouwing, ook omdat tegeninformatie er niet altijd was. In de eerste weken werd wel wat oorlogsvocabulaire gebruikt (en niet alleen door bronnen als politici). Ook dat zal hebben bijgedragen aan het gevoel van hoge urgentie, maar kan eenvoudig vermeden worden.



Handigste Harry
Bij alles dat er in de eerste vijf maanden van 2020 door NOS Nieuws aan berichten gemaakt is, steekt uiteindelijk dat wat er niet, of pas laat was, de redactie zelf het meest. Maar niet alleen de journalistiek: de hele samenleving vraagt zich af waarom het tussen half maart en begin april zo stil bleef over de gebeurtenissen achter de deuren van de verpleeghuizen.

Wat je merkt is dat volume, organisatiegraad en makkelijke omgang of ervaring met de pers helpen bij het (ook soms te) veel aanwezig zijn van bepaalde groepen (horeca, luchtvaart) of standpunten (scholensluiting, ic-bezetting) in de berichtgeving. Groepen of sectoren die meer versnipperd of bescheiden zijn en minder goed georganiseerd (in dit geval de verpleeghuiszorg, maar ook de cultuursector) kunnen altijd al gemakkelijker enige tijd uit beeld verdwijnen.

Deze crisis laat nog eens zien dat je heel goed bij de les moet blijven als je wilt voorkomen dat de hardste stem of handigste Harry wél altijd aandacht krijgt. Iets dat breder dan in de pers mag resoneren.