15 juli 2019

Steeds meer kanten aan privacy

Afgelopen weken kreeg de ombudsman weer een aantal klachten binnen over het onderwerp ‘privacy’. Waarom een foto van een verdronken vader en dochter, hebben slachtoffers geen recht op privacy? En hoe zit het met de privacy van de familie van een verdachte? Wat doe je als media wanneer een vermist meisje wordt gevonden, en iedereen heeft haar foto en naam op zijn telefoon staan? Er zijn weinig onderwerpen die zoveel losmaken bij het publiek als privacy. Misschien omdat iedereen het onderwerp van nieuws kan worden, en dan wil je dat de media netjes met jou en je naasten omgaan? De ombudsman zocht (soms opnieuw) antwoord op een aantal vragen.

Vermist en gevonden

Bijna twee jaar geleden keek de ombudsman voor het eerst naar het gebruik van foto’s en namen van vermiste personen. De NOS stelde toen om te beginnen dat iedere zaak uniek is en een aanpak op maat nodig heeft. Maar het idee om namen en foto’s uit al geplaatste artikelen te verwijderen, bij voorbeeld als een gezochte persoon gevonden is,  zorgde toen – ook bij de ombudsman – voor ongemak. Je gaat je archief van nieuwsberichten achteraf niet zomaar ‘retoucheren’.

Deze worsteling gaat door, maar er zit wel ontwikkeling in. Dat bleek eind juni toen een meisje uit Rotterdam via een Amber Alert  als vermist was gemeld. Zo’n alert leidt automatisch tot het tonen van een foto en gegevens langs de snelweg, op stations en op miljoenen telefoons. Van zo’n alert wordt vervolgens, onder meer door de NOS, een nieuwsbericht gemaakt. Toen het Rotterdamse meisje teruggevonden was, vroeg de politie direct per tweet aan het publiek om haar foto niet meer te gebruiken, en dat was opvallend. NOS Nieuws haalde de foto van de site en stopte onmiddellijk met het gebruiken van haar naam.

Overigens kwam er – terecht, vindt de ombudsman – ook nu geen inhoudelijke wijziging achteraf van de al geplaatste berichten.  “Maar bij een volgende keer moeten we misschien ook nog meer nadenken over het nieuwsbericht dat we van een Amber Alert maken,” zegt de hoofdredactie. “Want ook al is iemands naam en gezicht overal te zien, wij moeten zo’n alert duiden als nieuws en niet brengen als een soort politiebericht.”

Privacy van familieleden

Over privacy van verdachten en daders schreef de ombudsman ook al eerder. Maar nu kwam de vraag of de familie van een verdachte niet ook enig recht op privacy heeft. Het Openbaar Ministerie meldde begin mei in verband met drie moorden in Den Haag en Limburg op zoek te zijn naar een met naam en toenaam genoemde man. Kort daarna werd een verdachte opgepakt en om deze – toch zeer opmerkelijke – zaak én persoon te duiden, zochten verslaggevers van NOS Nieuws op diverse locaties naar achtergrondinformatie.

Dat vond de klager, waar het om “oud-huisgenoten, oud-werkgevers en anderen” ging “ongepast”. En hij vervolgde: “Wat was nu het belang om te vermelden dat de verdachte op adres X woonde? Wat is de relatie tot het nieuwsfeit dat de verdachte van 3 moorden is aangehouden?” Met betrekking tot het geven van specifieke achtergrondinformatie (beroep, maatschappelijke positie) van de ouders van verdachte was de klager nog feller: “Het behoeft nauwelijks enig betoog dat de feiten voor de ouders van de verdachte zeer ingrijpend zullen zijn. De aantasting van hun privacy staat niet in redelijke verhouding tot het publieke belang van publicatie ervan.”

NOS Nieuws schreef aan de klager dat het geven van achtergrondinformatie onderdeel is van de journalistieke taak, en dat dan soms “helaas bijkomende zaken voor familieleden ook gemeld worden op het moment dat over een verdachte/dader wordt bericht in de media”. De klager schreef de ombudsman dat hij twijfelde aan een zorgvuldige afweging door de redactie.

Onderzoeken wel, maar melden niet (altijd)

De ombudsman is het niet met de klager eens dat het zoeken van informatie ongepast is. Of het nu bij oud-huisgenoten is of het om informatie over de familie gaat, de achtergrond van een verdachte of dader kan zeer relevant zijn voor correcte nieuwsverslaggeving over de daad. Dus moet een journalist altijd op zoek naar duiding. En er kan ook nog eens  een groter verhaal achter een gruwelijke daad zitten, zoals bij de zaak-Anne Faber, en die kan pas blijken als er achtergronden gezocht worden, legde de verslaggever uit.

Dan is vervolgens de vraag wát je van die informatie dan meldt. In dit geval is door de betrokken verslaggever en hoofdredactie van NOS Nieuws wel zeker een afweging gemaakt, in tegenstelling tot wat de klager vermoedde. “Je wilt een beter beeld en een profiel geven van een verdachte, en daarvoor zal je zijn achtergrond en omgeving inkleuren,” zei de verslaggever. “Je geeft,” zei de hoofdredactie, “een kader en perspectief, en je wilt belangrijke vragen die bij het publiek leven beantwoorden. Bij iemand die op trampassagiers schiet geven we ook een beeld van zijn achtergrond. Wie is die jongen en waar komt ie vandaan? Omdat dat kan leiden naar antwoord op de vraag waarom hij zoiets doet. En dat is hier ook zo. We staan niet voor de deur en we gaan niet naar kantoor, maar we gaan wel naar de buurt en geven zo een beeld.” Dus wat de een details vindt die niet ter zake doen, zijn lang niet altijd details, zei de hoofdredactie.

En daar zit uiteraard het probleem. Wat draagt nog bij aan het geven van informatie, waardoor het publiek een persoon en een daad beter kan duiden, en waar begint onnodige inbreuk op de privacy? Een redactie legt de lat misschien wat lager: hoe groter de impact van een daad, hoe meer informatie van belang wordt voor de noodzakelijke duiding, zei de hoofdredactie. Maar de ombudsman wil de journalistieke lat omhoog schroeven.  

Daar zijn geen in marmer gehouwen regels voor, dus het blijft steeds afwegen. Ja, melden dát een verdachte studeerde kan mogelijk iets toevoegen aan een profiel (bijvoorbeeld dat hier geen sprake was van het  prototype van de verwarde man), maar wát hij studeerde dan meestal weer niet. Ja, het is van belang te weten wat iemand drijft, maar slechts zelden voegt het beroep van de ouders daar iets aan toe.

In dit geval komt daar bij dat het Openbaar Ministerie de volledige naam van de verdachte bekend had gemaakt. En al kan de nieuwsredactie daar niets aan doen en is dit geen journalistiek besluit, de journalistiek moet daar mee rekening houden want ze functioneert niet in een vacuüm. Wat de ombudsman betreft gaat hierdoor de lat voor het in een journalistieke productie  delen van achtergrondinformatie over familieleden die niet betrokken zijn wel omhoog.  En dan moet er wellicht zelfs tot op niveau van precieze bewoordingen heel scherp bepaald worden welke details relevant zijn voor de benodigde journalistieke duiding. De klager krijgt dus gedeeltelijk gelijk.

Privacy van slachtoffers

Dan tot slot nog een andere kant aan privacy. Dat er vragen zouden komen waarom de schokkende  foto van een verdronken vader en zijn dochtertje geplaatst werd, was te verwachten. En dat de verklaringen van media wereldwijd (zie hier bijvoorbeeld de reactie van drie Amerikaanse media) erg op elkaar lijken ook. Want hoe gruwelijk ook, sommige verschrikkingen moet je laten zien om duidelijk te maken wat er aan de hand is.

Maar er kwamen ook vragen over de privacy van de slachtoffers die je misschien niet zo snel zou verwachten. Zou de foto ook geplaatst zijn als de gezichten te zien zouden zijn geweest? Waarschijnlijk niet, stelde een fotograaf die voor dit soort keuzes staat in een verhelderend artikel op NOS.nl. Té schokkend, vermoedde hij. 

Iemands gezicht is zó privé, in leven maar zeker in dood, daar moet je heel terughoudend mee omgaan. En zelfs al zouden alle sociale media zo’n foto plaatsen en voelt het op de nieuwsvloer misschien als overdreven keurigheid: neem ruim de tijd – de New York Times deed er twee uur over – om te bespreken wat de gevolgen van plaatsing van zo’n foto zijn, voor publiek en zeker ook voor nabestaanden.

Dat veel media de namen van de slachtoffers publiceerden werd door een klager als respectloos beschouwd. Maar daarin verschil ik met de klager van mening. Daar is geen journalistieke code of reden voor maar een menselijke. Geef een slachtoffer een naam en til hem of haar uit boven het – helaas te omvangrijke – leger van naamloze doden. Geef zo hun leven én hun dood wat extra betekenis, misschien verandert er dan soms iets. Het gedicht “Voor wie ik liefheb wil ik heten” beschrijft hoe belangrijk het geven én blijven noemen van namen is, beter dan ik dat kan. “Noem mij, bevestig mijn bestaan”.