18 december 2020

Het jaar in één klacht

In oktober kreeg ik een klacht over woordgebruik door Op1, het NOS Journaal van 20 uur en Goedemorgen Nederland. De presentatoren gebruikten in berichten en gesprekken over het coronavirus systematisch het woord ‘besmettingen’, terwijl ‘meldingen van besmettingen’ correct zou zijn. Op vragen aan de redacties kreeg de klager geen antwoord. Het lijkt een detail, maar eigenlijk combineerde deze ene mail veel van wat in 2020 bij de ombudsman langs kwam.

De klacht

De mailer verwees naar cijfers en terminologie van het RIVM, het instituut waarop de programma’s zich baseren bij het maken van hun items en berichten. Hij stelde dat het volgens de door het RIVM gebruikte definitie van een melding niet per definitie om een daadwerkelijke besmetting hoeft te gaan, aangezien in het aantal meldingen ook vermoedens van besmettingen zijn verwerkt. Met hun incorrecte berichtgeving zouden de programma’s bijdragen aan “angst en paniek” over de hoeveelheid COVID19-besmettingen in Nederland.

Uit deze en veel andere mails bleek dit jaar dat berichten over corona door het publiek heel precies gelezen en bekeken worden. En men vindt duidelijk iets van de manier waarop er verslag wordt gedaan. De statistieken liggen al sinds het begin van de pandemie onder vuur, want kloppen ze wel? De brenger van die cijfers, de journalistiek, wordt vervolgens ofwel het aanjagen van paniek of het kritiekloos steunen van kabinetsbeleid verweten. En waarom blijft een antwoord van programma’s of omroepen soms uit?

Is gemeld ook besmet?

Eerst over die woordkeus. Volgens Van Daele is een ‘melding’ een ‘bericht over een gebeurtenis’ of een aangifte. Volgens de encyclopedie is het ‘een binnenkomende mededeling (kennisgeving) over een gebeurtenis, geconstateerde waarneming of een geconstateerd feit’. Zo gelezen zou de klacht onterecht zijn, want dan is een melding van een besmetting wel degelijk een besmetting: iets dat gebeurd is, een geconstateerde waarneming of feit.

Maar wat doet het RIVM, waar de klager zich op beroept? Het hoofd infectieziektebestrijding Van Dissel en de chef van de rekenmodellen Wallinga gebruiken in interviews ‘meldingen’ en ‘besmettingen’ door elkaar, zoals in dit artikel. Maar de website van het instituut niet.

Begin dit jaar is het coronavirus (of SARS-CoV-2  of COVID19) door de minister voor medische zorg aangewezen als zogenoemde A-ziekte. Dan is een arts verplicht te melden bij de GGD wanneer hij ‘het vermoeden heeft dan wel heeft vastgesteld’ dat iemand die ziekte heeft. De GGD’en geven die meldingen vervolgens door aan het RIVM.

COVID19 is dus zo’n A-ziekte, en het RIVM schrijft op zijn website: “Via een samenwerking tussen artsen, laboratoria en de GGD’en wordt informatie verzameld over personen (patiënten) met een positieve SARS-CoV-2 testuitslag.” Het RIVM gebruikt in de dagelijkse updates niet het woord ‘besmettingen’ maar de omschrijving ‘aantal (nieuwe) meldingen COVID19-besmettingen’. Daar kunnen volgens de voorschriften vanuit het ministerie van VWS dus inderdaad ook vermoedens van besmettingen bij zitten. Zo gelezen heeft de mailer dus wel een punt.


Is getest ook besmet?

Veel van de meldingen over COVID19 zijn van mensen die de weg via de (al dan niet commerciële) teststraten en bijbehorende laboratoria afleggen. Dat zijn dus feitelijk meldingen van positieve tests. Geen vermoedens van positieve testen maar daadwerkelijke testen met een positieve uitkomst.

Is iedere positieve test dan een besmet persoon? Nee, bij de testen zit volgens de meest recent voorhanden zijnde stand van de wetenschap een heel kleine foutmarge. Volgens het RIVM geeft geen enkele test 100% betrouwbaarheid maar heeft de meest gebruikte PCR-test ‘een zeer hoge gevoeligheid’. Een positieve PCR-test is in het overgrote deel van de gevallen dus een echte besmetting.

Maar hoeveel besmettingen en zieken hebben we dan?

Een melding staat dus inderdaad niet één-op-één voor een besmetting. En een positieve test ook niet. Moeten we dan concluderen dat het aantal met COVID-19 besmette mensen lager is dan het aantal meldingen dat het RIVM elke dag doorgeeft en dat door de journalistiek in berichten en bulletins verwerkt wordt? Hebben de programma’s met het incorrect gebruik van de terminologie de omvang van het aantal met COVID19 besmette mensen overdreven en zo bijgedragen “aan de negatieve gevolgen van incorrecte berichtgeving: angst en paniek”, zoals de klager schreef?

Het RIVM, hetzelfde instituut dat door de klager voor de terminologie als maatstaf voorgehouden wordt, schrijft bij de wekelijkse overzichten die het maakt: “Het aantal meldingen dat het RIVM de afgelopen week heeft binnengekregen van de GGD’en is niet hetzelfde als het aantal positieve tests van die week. Dat kan namelijk nog veranderen door nameldingen. Dit zijn meldingen die voortkomen uit teststraten, maar ook bijvoorbeeld van ziekenhuizen, enzovoort. Het aantal besmettingen in een week is naar verwachting hoger dan het aantal positieve tests, omdat het aannemelijk is dat niet iedereen met een besmetting zich laat testen.”

Het is dus waarschijnlijker dat het echte aantal besmette mensen hoger ligt dan dat het aantal positieve testen en de meldingen bij de GGD’en aangeven. Doordat niet iedereen die besmet is dat ook merkt en zich dus niet laat testen, waardoor iedereen zónder klachten maar mét COVID19 niet in de cijfers zit. Verder was het niet altijd duidelijk of de gegevens van alle (ook commerciële) teststraten verwerkt waren, en kwamen er nog meldingen achteraf via de officiële kanalen. COVID19 is dus hoogstwaarschijnlijk meer onder ons dan dat de gebruikte cijfers aangeven, hoe we die aantallen dan ook noemen.

Grilligheid

Qua terminologie had de klager een punt: niet iedere melding is een besmetting, en dus is gebruik van het woord ‘melding van besmetting’ formeel correct. Het is begrijpelijk dat in sommige, heel kernachtige items of teksten of in het vuur van de discussie het deel ‘melding van’ een enkele keer wordt weggelaten of wegvalt. Maar dat kan beter geen gewoonte worden. Belangrijker is dat de claim dat programma’s de aantallen zouden overdrijven en zo zouden bijdragen aan angst en paniek, door de duiding van het RIVM ontkracht wordt: de gebruikte cijfers zijn eerder te laag dan te hoog als je wilt aangeven hoeveel besmette mensen er zijn.

Als een klager de wetenschap op het ene punt als maatstaf opwerpt, mag ik graag aannemen dat hij die maatstaf op een gerelateerd punt ook accepteert. Maar dat was dit jaar lang niet zeker. Bij een kleine maar luidruchtige groep klagers was de grilligheid in acceptatie van bronnen en feiten groot. Dat fouten gewoon fouten konden zijn, dat ze menselijkerwijs gemaakt werden – ook onder de hoge druk waaronder de duizenden programma’s en artikelen over corona de afgelopen negen maanden tot stand kwamen – en dat ze meestal snel hersteld werden, dat werd lang niet altijd gezien of geaccepteerd. Als de uitleg van redacties of een oordeel van de ombudsman niet beviel, werd nogal eens gemakkelijk de kreet ‘fake nieuws’ gebruikt.

Er is over corona veel te zeggen en het luistert allemaal nauw omdat het publiek en de politiek waarde toekennen aan wat ook dagkoersen zijn, zoveel is helder. Daarom hecht het RIVM meer waarde aan wekelijkse analyses; die geven immers een trend aan. In een uitgebreide analyse van vijf maanden coronaberichtgeving door NOS Nieuws die ik eerder dit jaar maakte, kwamen de cijfers ook al aan de orde. De NOS werkt nu tijdens de huidige lockdown met grafieken waarin vooral positieve tests en ziekenhuisopnames worden weergegeven, een betere maatstaf voor de druk op de zorg en de samenleving. Met regelmaat wordt op de redactie afgewogen wat op dat moment de meest informatieve cijfers zijn. Daar hoort ook de juiste terminologie bij.

Reageren op reacties van het publiek

Rest nog dat op de mail van de klager ook na doorzenden door de ombudsman helaas geen uitleg van de redacties kwam. Dat is jammer. Bij de meeste programma’s gaat het goed. Bij sommige kan het op bepaalde momenten te maken hebben met de veelheid aan vragen en reacties: op piekdagen krijgen nieuwsredacties enkele duizenden mails, tweets en posts. Soms heeft een redactie reageren niet hoog op de prioriteitenlijst. En dat kan noodgedwongen zijn, als het om een kleine redactie met hoge productiedruk gaat. Antwoorden op vragen gaat dan direct ten koste van het maken van een item of het voorbereiden van een gesprek met een gast.

En toch: publiek wordt boos of verdrietig van het uitblijven van antwoord en daar kun je beter wat aan doen. Dat bleek ook uit een onafhankelijke evaluatie van wat het hebben van een ombudsman de eerste drie jaar voor klachtenafhandeling over journalistieke producties betekende. Afdwingen dat er (meer) aandacht aan publieksreacties gegeven wordt kan ik niet, ik ga niet over personeelsinzet of budgetten. Maar goed en efficiënt contact met het publiek – ook zonder inschakeling van de ombudsman – is van groot belang voor het draagvlak voor de publieke omroep. En dat zou alle omroepen aan het hart moeten gaan.

Ook in 2021 werken we dus aan een snelle behandeling van vragen en klachten, door ombudsman, programma’s en omroepen. Laten we hopen dat dit virusvrij mag zijn.