08 november 2018

Gelijk en ongelijk in De Hofbar

In het tv-programma De Hofbar (PowNed) legt een gescheiden vader uit dat hij zijn kinderen niet meer ziet en een Tweede Kamerlid plaatst dit voorbeeld in breder politiek verband. Na uitzending meldt de moeder zich bij de ombudsman: het programma zou eenzijdig zijn, onzorgvuldig gemaakt en de privacy van de kinderen zou zijn geschonden. De ombudsman stelt moeder en programma ieder gedeeltelijk in het gelijk.

De insteek van het programma en de klacht

De klacht betreft de uitzending van 14 september 2018 van De Hofbar (PowNed). De makers van het discussieprogramma willen aandacht besteden aan een maatschappelijk fenomeen van omvang en belang: uit onderzoek blijkt dat zo’n 20% van de ouders – meest vaders – na een scheiding de kinderen niet meer ziet. Vaak duren de procedures waarin uiteindelijk wordt besloten of dat terecht is – en het kan uiteraard terecht zijn – heel lang. Tegelijkertijd kán het om enige reden wegblijven van kinderen bij een van de ouders strafbaar zijn.

Het programma wil aan de orde stellen of er in dit soort zaken niet sneller een gezaghebbende uitspraak kan komen over het elkaar niet zien, zodat er helderheid komt voor betrokken kinderen én ouders. Een aspect waarin politici – die een centrale rol hebben in het programma – een  rol kunnen spelen. De programmamakers gaan op zoek naar voorbeelden die het fenomeen in de uitzending een gezicht kunnen geven:  een gescheiden vader van drie kinderen vertelt zijn verhaal, en daarna komt een dochter aan bod die jaren haar vader niet zag.  Vervolgens legt presentator Rutger Castricum het fenomeen voor aan een Tweede Kamerlid.

De moeder van de drie kinderen komt bij de ombudsman met een waslijst aan klachten, zoals het niet vragen van wederhoor, onterechte inzage in vertrouwelijke rapporten, ongefundeerde aantijgingen van strafbaarheid, en het breken van toezeggingen om de namen van de kinderen niet te noemen (vader noemt de namen tweemaal). Dit alles resulterend in emotionele schade voor de kinderen. De ombudsman moet vervolgens klachten over de journalistieke werkwijze en het product zien te scheiden van verwijten die met het conflict tussen beide ouders te maken hebben. Altijd een delicate zaak, want hoe programmamakers ook hun best doen, één van de betrokken partijen is altijd ontevreden.

Geen wederhoor?

Het verwijt van gebrek aan poging tot wederhoor houdt geen stand. De redactie zoekt contact met beide partijen, maar de kant van de moeder geeft direct aan niet te zullen meewerken omdat dat niet in het belang van de zaak en van de kinderen zou zijn. Haar goed recht, maar daarmee kan zij niet stellen dat de programmamakers niet op zoek zijn gegaan naar wederhoor.

Als één partij niet wil praten, kan je als programmamaker besluiten om het onderwerp niet te maken of niet op dit voorbeeld te baseren. Maar daarmee kan een partij het onderwerp ook ‘gijzelen’: als wij niet meewerken, kan de ander ook niks en valt het onderwerp vanzelf af. Dat vindt de ombudsman een onwenselijke zaak; dan zou je immers nooit meer aandacht kunnen besteden aan onderwerpen die betwist zijn. Met een weigering tot meewerken van één kant wordt een onderwerp niet automatisch een no-go. Het is ook geen carte blanche om maar ongecheckt van alles op de zender te gooien. Het is dan wel zaak andere, onpartijdige bronnen te vinden die balans in de aanpak kunnen brengen. Dat lukte in dit geval door de beschikbaarheid van onafhankelijke officiële rapportages van onder meer de Raad voor de Kinderbescherming.

Inzage van rapporten en privacy

De moeder viel vervolgens over de inzage die de journalisten kregen in deze onafhankelijke rapporten. Het staat journalisten echter vrij om aan hen verstrekte informatie tot zich te nemen. Momenteel lopen internationale rechtszaken rond materiaal dat door mogelijk onrechtmatige medeneming door betrokkenen is verkregen en vervolgens aan journalisten is verstrekt, je zou het ‘heling’ kunnen noemen als ervoor betaald was. Zelfs dáárvan is niet vooropgesteld of zonder meer besloten dat dit niet mag; het belang van openbaarheid kan een gekozen aanpak rechtvaardigen.

Uit de betreffende rapporten worden in dit geval geen uitgebreide passages of persoonlijke details geciteerd, noch worden de rapporten door de journalisten verder verspreid. Is de privacy met dit gebruik van de rapporten dan geschonden? De ombudsman vindt van niet. Er wordt in zeer algemene termen gesproken over en verwezen naar de inhoud van de rapporten.

Noemen van namen

De moeder valt hard over het noemen van de namen van de kinderen, omdat haar (ook in mails) was toegezegd dit niet te doen. De vader noemt de namen twee keer. Eenmaal in een eerder opgenomen filmpje. Aangezien dit geëdit moest worden, zouden de makers daarin de namen hebben kunnen wegknippen of –piepen. Dat zou de ombudsman een (tv-technisch lelijke, maar gezien de afspraken) nette oplossing gevonden hebben.

Vervolgens vallen de namen van de kinderen nogmaals: in een gesprek aan tafel met de presentator. Had deze op dit moment ingegrepen, dan  zou hij alleen maar extra aandacht op de namen gevestigd hebben. Wat mogelijk was geweest, aangezien het programma De Hofbar zogenoemd semi-live is (vooraf opgenomen waarbij alleen geëdit wordt om op de juiste lengte te komen), is opnieuw de namen met een geluidsingreep onherkenbaar maken.

Bij navraag waarom dit niet gedaan is, vertelde de eindredactie dat bij het ‘op lengte’ editen van het programma wel degelijk een geluidsbewerking was toegepast: de betreffende stukjes geluid werden achterstevoren afgespeeld, waardoor de namen onverstaanbaar werden. Maar de technicus die vóór uitzending de finale afwerking deed (kleur- en geluidnabewerking, om alles nog een keer helemaal ‘mooi’ te maken) was niet van het doel van de bewerking op de hoogte, en heeft de voor hem vreemde geluidsfragmenten zonder navraag ‘hersteld’. Resultaat: in de uitzending zitten de originele geluidsopnamen mét de herkenbare namen.

Inderdaad heeft het programma zich op dit punt dus niet aan de afspraak met de moeder gehouden. De redactie heeft de ombudsman verzekerd het buitengewoon vervelend te vinden dat de namen toch in de uitzending zaten. Maar het was niet de bedoeling om een gemaakte afspraak te schenden en er is gewerkt aan het onherkenbaar maken van de namen. Het mag als een flauw excuus klinken (de techniek heeft ons in de steek gelaten), maar soms is dat daadwerkelijk het geval. Wel had de redactie de moeder hiervan op de hoogte moeten stellen.

Strafbaarheid

Wat betreft de aantijgingen van strafbaarheid: letterlijk zegt presentator Castricum tegen publiek en een Tweede Kamerlid dat is uitgenodigd om een opinie over het fenomeen te geven: “Volgens mij is het gewoon strafbaar, wat zijn ex doet.” Waarop het Kamerlid het onderwerp veralgemeniseert: “Ik weet niet wat er in elke individuele situatie gaat werken...”

Het onttrekken van kinderen aan ouderlijk gezag kán soms strafbaar zijn, het is dus op zich gerechtvaardigd om de vraag te stellen in hoeverre in dit geval sprake zou kunnen zijn van een strafbaar feit. Maar de ombudsman vindt dat je zoiets delicaats als presentator dan duidelijk in een vraag en niet in een stelling zou moeten gieten. Door de lenigheid van het Kamerlid gaat het gesprek overigens wel direct weer naar het bredere spectrum dan het voorbeeld alleen.

Concluderend

Klager stelde dat het programma op een groot aantal punten de journalistieke code van de NPO heeft geschonden. De ombudsman is het op twee punten met klager eens, op een aantal andere niet.

Klager wilde niet met de programmamakers in gesprek, maar er is door het programma wel getracht met haar te praten. Idealiter krijgt een programmamaker medewerking van beide partijen die bij een zaak betrokken zijn. Maar de weigering door één van beide om te reageren maakt het bredere fenomeen nog niet zonder meer een no-go als onderwerp. Geen toegang tot één kant van de zaak geeft een redactie ook geen carte blanche om zomaar zonder te checken allerlei zaken op de zender te gooien. Minimaal mag verwacht worden dat gebruikte informatie op onpartijdig materiaal gestoeld is. Dat is hier gebeurd (onder meer op rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming).

Klager stelt dat deze rapporten niet gebruikt hadden mogen worden, maar een journalist mag informatie tot zich nemen. De rapporten zijn niet getoond of verder gedeeld, noch is er gedetailleerd privacygevoelig materiaal uit geciteerd. De rapporten zijn dus niet als bron misbruikt.

De namen van de kinderen hadden niet genoemd mogen worden, dat is de ombudsman maar dus ook de redactie met de klager eens. Het is ook gepoogd, maar helaas niet gelukt. De redactie had de moeder van de gang van zaken hieromtrent voor uitzending op de hoogte moeten stellen.

De stelling over mogelijke strafbaarheid van het handelen van de moeder had volgens de ombudsman in een vraag gegoten moeten worden.

Mogelijk waren kritische vragen aan de vader op zijn plaats geweest, en mogelijk was de zaak als voorbeeld minder geschikt omdat het korte bestek van het programma aan de ingewikkeldheid ervan geen recht kon doen. De ombudsman neigt naar voorzichtigheid in zaken als deze: als je niet de tijd of het format hebt voor context moet je overwegen zo’n delicate zaak niet te behandelen. Maar realiseert zich ook terdege dat dan het gevaar dreigt dat gevoelig liggende en betwiste zaken geen onderwerp van programma’s meer kunnen worden.

Tot slot

De ombudsman kijkt alleen naar een publicatie/uitzending en naar hoe er ten behoeve daarvan door betrokken journalisten is gehandeld. De ombudsman dient kritiek op het journalistiek handelen en product te scheiden van aspecten aan het conflict dat als voorbeeld wordt genomen maar die niet met programma of de aanpak te maken hebben.

Het verdrietige maar ook frustrerende bij voorbeelden als dit is dat er door de journalistiek eigenlijk nooit op een voor alle zijden bevredigende wijze aandacht aan besteed kan worden. Een item over een dergelijke zaak komt altijd bij minimaal één van beide kanten als eenzijdig en onzorgvuldig over, hoe zorgvuldig de poging ook is. Moet de journalistiek zich dan maar verre houden van dit soort onderwerpen? Als het onderwerpen van breder belang betreft, vindt de ombudsman van niet.